Gedichtanalyse


Titel
Stadsdichters krijgen bij hun aanstelling de vraag om een gedicht te schrijven voor op het foedraal van de Antwerpse trouwboekjes. Maud vond dat niet bepaald een interessante drager en begon onmiddellijk na te denken over een andere, meer geïntegreerde vorm. Halverwege haar stadsdichterschap vroeg iemand aan haar: 'Waarom kun je het gedicht niet gewoon een gedicht laten zijn? Waarom altijd die zoektocht naar een originele, opvallende vorm?' (Vanhauwaert, 2020b).

Maud betrapte zichzelf erop dat haar keuze voor een opvallende vorm soms een manier is om de inhoud te verhullen. Grotendeels onbewust denkt ze soms dat de tekst zelf literair niet sterk genoeg is, en dat ze dat kan compenseren met een originele vorm. Ze zegt van zichzelf dat ze zich nogal bloot voelde toen ze nog eens 'gewoon een gedicht' schreef.
Waarover gaat het gedicht? Voor mij gaat het over een koppel dat in het hier en nu, ondanks alle hindernissen, ja blijft zeggen tegen elkaar.
Lyrisch ik
Het lyrisch ik is een fictieve constructie die verwijst naar de sprekende instantie in een gedicht. Het kan de lezer direct aanspreken, wat een gevoel van intimiteit en betrokkenheid creëert.
In dit gedicht komt het lyrisch ik naar voren als een stem die de essentie van het moment vastlegt en de kracht van het nu benadrukt. Het lijkt zich bewust te zijn van de vergankelijkheid van tijd en probeert een gevoel van aanwezigheid en verbondenheid op te roepen. De woorden "Wij. Hier. Nu." roepen een gevoel van urgentie en intensiteit op en toch voel ik ook veel mildheid.
Volgens mij kan het lyrisch ik in dit gedicht langs twee kanten belicht worden. Wetende dat dit gedicht op het foedraal van alle trouwboekjes in Antwerpen heeft gestaan, maakt dat duidelijk dat het geschreven is van de ene partner naar de andere. Verder weten we ook nog dat Maud Vanhauwaert dit gedicht heeft voorgedragen aan haar partner als huwelijksaanzoekgedicht. Vanuit dat standpunt valt het lyrisch ik wel samen met de dichter.
Thema, motieven
Vrijheid, geen begrip dat je zo vrij kan interpreteren. Er is de bandeloze vrijheid, maar ook een vrijheid die pas ontstaat bij verbondenheid. Die laatste is de insteek van het stadsgedicht dat sinds januari 2019 op de trouwboekjes in Antwerpen prijkt. (Maud Vanhauwaert, 2023c)
Vorm, vers, strofenbouw
In de titel en de tweede strofe wordt er na elke woord een punt gebruikt om de woorden meer kracht te geven. Ze zorgen ervoor dat je na elk woord even stopt, ze maken de woorden intenser en benadrukken de urgentie.
Drie van de vijf strofes zijn terzines, ze bestaan uit drie versregels. In dit geval rijmen de eerste en de derde versregel niet.
Beeldspraak, stijlfiguren
In de eerste strofe zien we een metafoor in de woorden: bergen rijzen, valleien splijten, met rookpluimen moeten seinen. ik onderstreepte deze woorden rood in de afbeelding.
In elke strofe zien we ook een enjambement. De zin loopt grammaticaal door hoewel de versregel eindigt. Deze enjambementen herken je aan de roze streepjes op de afbeelding.
Het gedicht eindigt met een schijnbare tegenstrijdigheid of een paradox. Ik onderstreepte deze paars.
Rijm en klank
Het laatste woord van de eerste strofe rijmt op het laatste woord van tweede strofe (nog – toch). We spreken hier van een mannelijk eindrijm, in het blauw aangeduid op de afbeelding.
De alliteraties omcirkelde ik in het oranje. In de tweede en de derde terzine zien we herhaling van de letter w.
In de eerste strofe zien we assonantie van de beklemtoonde ij-klank. in de derde strofe zien we assonantie van de letter e.
Ritme en metrum
De groene pijltjes tonen waar er een rustpauze voorzien wordt binnen een vers. Dit noemen we cesuur.
Maud Vanhauwaert staat bekend om haar speelse en vaak vrije benadering van poëzie. In dat opzicht is het herkenbaar dat dit gedicht een vrije versvorm heeft, wat betekent dat het niet strikt gebonden is aan een vast metrum of rijmschema. Het geeft haar de ruimte om zodanig met ritme en cadans te spelen dat het de inhoud van het gedicht versterkt.
De korte zinnen hebben een duidelijke ritmiek en trekken de aandacht van de lezer.
Er wordt gevarieerd in zinslengte, dat zorgt voor een dynamisch ritme dat de lezer meeneemt door de verschillende emoties en gedachten van het gedicht.
De interpunctie speelt een cruciale rol in dit gedicht. Ze creëren rustpauzes en zorgen voor een bepaalde cadans.
We zien ook nog de herhaling van woorden zoals "wij". Die versterken het ritmische gevoel en zorgen voor een gevoel van cohesie en continuïteit binnen de vrije versvorm.
